zondag 6 september 2015

Le Tour de France à pied, mijn memoires. Deel 2: de dieptepunten


Zonder dalen heb je geen toppen. Het is dus maar goed dat ik in die zes weken dieptepunten meemaakte anders had ik deel 2 en deel 3 van deze trilogie niet kunnen schrijven.
Als je aan een zesweekse reis van 2800 km begint weet je dat je die dieptepunten zult gaan krijgen dus je probeert er zo veel mogelijk rekening mee te houden. Toch is het altijd moeilijk om ook te reageren zoals je van te voren heb bedacht hoe je zou moeten reageren. Meestal kom je toch voor verrassingen te staan.
Zo was daar om te beginnen dag 4. Dag 4 is voor mij altijd al een moeilijke dag maar deze werd door omstandigheden nog net even wat lastiger gemaakt. Lees mee:


Het begon meteen al verkeerd. Met de hele groep na een paar kilometer al de route kwijt. Terug dan maar weer en zoeken naar pijltjes maar die zagen we nergens. Volgens mijn GPS liepen we net naast de route dus ik zei dat we misschien de brug over zouden moeten en aan de overkant van het water onze weg vervolgen. Maar daar wilde niemand iets van horen. Had ik toen maar niet geluisterd, waarom was ik toen niet mijn eigenwijze ikzelf? Dus zoeken, zoeken, zoeken, dwars door de velden, links, rechts...nee toch weer links. Tot we in de verte een grote weg zagen dus daar maar naartoe gelopen en die gaan volgen want op ons roadbook konden we zien dat er dan een zijweg zou moeten komen naar het dorp waar de eerste verzorging zou zijn. En ja hoor, die zijweg vonden we gelukkig. Afslaan dus en vervolgens liepen we over een brug naar de andere kant van het water en daar vonden we weer pijltjes die aan de overkant verder langs het water gingen. Had ik toch gelijk gehad! We hadden inmiddels al een flink aantal kilometers omgelopen maar nu konden we verder op de goede route. Eén kilometer later lag ik plots op de grond, kapotte knie en elleboog. Gelukkig was de groep nog redelijk dichtbij en Chantal maakte mijn wonden schoon met het laatste restje drinkwater wat ze nog had. Ik liet de groep gaan want voelde me duizelig en durfde niet hard te lopen. De duizeligheid trok weer weg vlak voor ik bij de verzorgingspost was. Daar goed gegeten en veel gedronken en de schade eens goed bekeken. Die knie deed wel verdomd veel pijn maar ik moest toch verder dus voorzichtig weer gaan lopen. 
Jenni liep vlakbij me toen we 10 km later langs een rivier kwamen te lopen. Een redelijk druk pad. Een man met twee honden aan de lijn, we waren er al bijna voorbij toen één van de honden een uitval naar me deed en me in mijn been probeerde te bijten. Rook hij mijn bloed? Of mijn stress van de val? Ik weet het niet maar zijn tanden schraapten langs mijn been maar kregen het gelukkig niet te pakken. Wel mijn broek die daardoor meteen rijp voor de prullenbak was. Ik schrok me rot! En de man met de honden? Die liep gewoon door alsof er niets gebeurd was. Geen excuses of vraag of ik gewond was, helemaal niets. En daar kan ik me nu nog steeds kwaad om maken. 
Na deze twee voorvallen heb ik moeite om verder te gaan maar het moet gewoon. Ik zie eruit als een zwerver met mijn vieze shirt, kapotte broek, vieze bebloede benen en arm en ook nog kapotte sokken want die heb ik open geknipt om shinsplints te voorkomen. Bij een verzorgingspost is er iemand zo slim om zonnebrandcrème op mijn schaafplekken aan te brengen omdat anders misschien de huid eronder zal verbranden. Ikzelf denk echt nergens meer aan, wil alleen maar naar de finish. Maar dat gaat niet zo makkelijk. De etappe van vandaag is dik 80 km en zal nog veel langer worden door het ontbreken van de pijlen vlak na de start. En het is ook nog eens bloedheet, dik boven de 40 graden. Om de rampdag helemaal compleet te maken missen er na ongeveer 45 km lopen nog meer pijlen. Ik zie op mijn GPS dat we naar links moeten dus dat doe ik netjes ook al zie ik nergens een pijltje. Een loper die achter me loopt (ik weet niet eens meer wie het was) vraagt waarom ik dat doe en ik wijs op mijn horloge. Hij volgt en we komen bij een hek van de tuin van een groot huis. Daar mogen we niet langs zegt hij en gaat weer terug. Ik twijfel maar keer dan ook om en volg hem. Maar hij loopt zo hard van me weg dat ik hem al snel niet meer zie. Waarom? Waarom wacht hij niet even zodat we samen naar de weg kunnen zoeken? Ik snap er niets van. Ik zoek en zoek en loop iedere keer dood. Dus toch weer naar het huis met het hek en dan zie ik daarnaast een smal paadje dat om de tuin heen loopt. Zie je wel, wat ben ik toch een stomme ezel om me twee keer op één dag om te laten praten. Dit geintje heeft me weer veel te veel tijd en energie gekost, tijd en energie die ik zo hard nodig heb om vandaag naar de finish te lopen. Gelukkig kom ik Jenni en Chantal bij de volgende verzorgingspost weer tegen en we gaan samen verder. Heuvel op en heuvel af, in de brandende zon, wanhopig op zoek naar water wat nergens te vinden is. We lopen door uitgestorven dorpjes zoekend naar een kraantje of volle emmer of gieter, lopen begraafplaatsen op om een kraantje te zoeken maar nergens is ook maar een druppeltje water te vinden. Dave halen we in, ook hij heeft het helemaal gehad. Dan komen we eindelijk in een dorp met een café en daar komt Thierry naar buiten en zegt dat we daar wat kunnen drinken. We zijn verbaasd omdat we denken dat dit de verzorgingspost is maar die blijkt nog 2 km verderop te zijn. Als we na een cola in het café verder lopen loopt Chantal van ons weg, blijven Jenni en ik samen en proberen Dave mee te nemen maar die kan ons niet meer volgen en blijft achter. Ik ben zo wanhopig dat ik iets doe wat ik nog nooit heb gedaan: ik stuur Jos een SMSje en vraag hem om mij te bellen voor peptalk. Nooit zul je mij tijdens een wedstrijd zien bellen, SMSen of appen maar nu was ik aan het eind van mijn Latijn. Jos belt gelukkig snel en hoort mijn relaas aan. 'Je gaat niet uitstappen!' is zijn eerste reactie. Daar had ik zelf nog niet eens aan gedacht dus dat ga ik ook niet doen maar het is goed even zijn stem te horen en peptalk te krijgen. En verder gaan we weer, Wilma komt ons achterop en sluit aan.
We rusten in de schaduw bij een boerderij op het erf, maken onze hoofden nat met water uit een sloot en uit wat vieze fonteintjes in een dorpje en vragen bij een restaurant naar water. Dat krijgen we niet maar een kilometer verderop komt er ineens een auto naast ons rijden en steekt er een hand met een liter water naar buiten. Het is de man van het restaurant die ons toch water aanbiedt. Wat zijn we daar blij mee. En even later komt ook Thierry, die door Wilma gebeld was, met de auto langs om ons drinken te brengen. Hierna komen we weer iets tot leven, kunnen weer wat stukjes dribbelen en uiteindelijk komen we na bijna 88 km en 14 uur zwoegen aan bij de finish. En dan komen bij mij de tranen, de stress en spanningen van deze dag moeten er nou eenmaal uit. Maar lang huilen kan ik niet want ik moet nog eten, mijn slaapplaats inrichten, douchen en mijn wonden verzorgen. Daarna slapen wat me dus ook niet lukt door de pijn aan mijn knie. Wat een ongelofelijke k..dag!


Blessures en andere ongemakken.
Vrijwel iedereen heeft zijn portie ellende wel meegemaakt. Blessures waren aan de orde van de dag. Slechts een enkeling ontsnapte eraan of je hoorde ze er niet over. Vooral in het begin van de race hebben mijn onderbenen erg moeten wennen aan de belasting. Blaren, waar ik regelmatig last van heb bij ultra’s, heb ik deze keer nauwelijks gehad. In de eerste weken had ik er slechts drie die ik doorgeprikt heb en waarna ze niet meer terugkwamen. Wel kreeg ik pijnlijke tenen. Omdat je voeten zwellen door de lange afstanden kwamen de tenen wat in de verdrukking. Maar dat probleem was makkelijk op te lossen door het mes in mijn schoenen te zetten en ze bij de drukpunten open te snijden. 
Het lastigste waren de enkels en schenen die flink protesteerden in die eerste weken, gelukkig kreeg ik geen ernstige blessure maar ik heb het wel een aantal dagen extra rustig aan moeten doen om te voorkomen dat het wel een blessure zou worden. Na die gewenningsperiode hebben de spieren zich voorbeeldig gedragen en had ik geen last meer van ze.
Waar ik ook veel last van heb gehad is mijn knie. Niet door overbelasting maar door mijn val op de vierde dag. Daaraan hield ik een kneuzing, een harde bult op de knieschijf en pijnlijke spieren en pezen rondom de knie over. Later viel ik nog een keer op dezelfde knie en dat maakte het er natuurlijk niet beter op. Van die knie heb ik tot in week 5 last gehad. Een patellabandje hielp maar heuvelaf lopen was pijnlijk en lastig.

Dag 20 ging zeer moeizaam, niet door een blessure maar door de hoge luchtvochtigheid waar ik niet tegen kan, een overblijfstel van mijn inspanningsastmaverleden. Al na 10 minuten had ik geen droge draad meer aan mijn lijf en ging mijn ademhaling moeizaam. Door mijn geforceerde manier van ademen ging ik ook anders lopen ging alles in mijn lijf pijn doen. De laatste kilometers had ik geen controle meer over mijn benen en wandelde de etappe uit.

Dan was daar dag 23, geen echt dieptepunt maar een baaldag. Ik baalde van het kanaal waar we al zo lang langs liepen, de trails, de fietsers, de zon die op mijn rug scheen zodat ik in mijn eigen schaduw liep en dus niet kon zien waar de boomwortels en stenen lagen en dus weer op mijn slechte knie viel. Baalde van die lange etappe van 86 km die uiteindelijk weer dik 87 km bleek te zijn. Baalde van alles, behalve van de prachtige zonnebloemen.

En in de laatste 2 weken had ik last van maag- en darmproblemen. Eten lukte me nog nauwelijks en ik heb echt dagenlang steeds moeten sprinten naar de wc of de bosjes vanwege diarree, voelde al mijn krachten wegvloeien. Het lopen werd echt een mentaal spelletje want fysiek was het niet veel meer. Maar mentale spelletjes kan ik blijkbaar goed want ik heb wel de finish behaald. Waar die diarree door veroorzaakt werd kan ik niet met zekerheid zeggen. Ik vermoed dat er iets met het eten is geweest want op dezelfde dag dat ik last kreeg waren er nog meerdere mensen die ook last hadden. Alleen bij hun herstelde het en bij mij bleef het aanhouden. Soms had ik een paar goede dagen maar die werden dan weer gevolgd door slechte dagen. Na mijn shitdag (zie: To DNF or not to DNF, verderop in deze blog) kwamen er gelukkig nog 5 goede dagen waarin ik geen last had. Maar toen ik thuis was heb ik er wel weer een paar dagen last van gehad. Het zal toen wel meegespeeld hebben dat ik thuis geen medicatie meer gebruikte.
Die medicatie bestond uit Loperamide, een bekend middel tegen diarree. Ik had vlak voor ik naar Parijs vertrok nog snel een doosje uit ons medicijnkastje gegrepen en in mijn tas gegooid voor je-weet-maar-nooit. Wat was ik dus blij dat ik dat doosje weer vond toen ik het nodig had. Er was alleen één heel klein probleempje: de houdbaarheidsdatum was tot eind 1999. Oeps. Zo vaak neem ik dat spul dus. Nou ja, ik had het nodig en wat kon me gebeuren? Ik zou er misschien diarree van kunnen krijgen en dat had ik al dus slikken maar! Hoge nood breekt wet.
Door die diarree was ik natuurlijk wel verzwakt en ook afgevallen. Maar hoeveel dat was wist ik niet. Ik dacht een kilo of 3 à 4. Maar toen ik thuis op de weegschaal stond zag ik hoeveel ik was afgevallen: ruim 6 kg. Dat is te veel als je bij de start al geen zwaargewicht van 54 kg bent. Het is maar goed dat ik het onderweg niet heb geweten want dan was dat zeker door mijn hoofd gaan spoken. Die kilo's heb ik er nog steeds niet bij gegeten maar ik doe mijn best.

Afscheid Peter
Dan was daar de dag dat Peter naar huis ging. Voor mij totaal onverwacht. Natuurlijk was hij al eerder uitgevallen in de race maar hij liep toch weer etappes mee. Tot hij er ineens genoeg van had en niet meer de motivatie op kon brengen om door te gaan in die hitte en ook geen zin had om voor spek en bonen verder te gaan. Ik heb er heel wat traantjes om laten stromen, toen de lopers vertrokken en we afscheid namen en ook nog tijdens de etappe van die dag.
Bij evenementen als deze ben je door de vermoeidheid veel labieler en gevoeliger voor emoties als anders en afscheid nemen is toch al niet mijn sterkste punt dus Peter is vertrokken met een natte schouder. Sorry!

Zwarte zaterdag
De schoolvakanties begonnen in Frankrijk op 1 augustus en dat betekent dus zwarte zaterdag want iedereen wil tegelijk naar zijn vakantiebestemming. Toevallig hadden wij die dag een route die vrijwel volledig langs een drukke weg ging. Een weg zonder vluchtstrook, niet voor de lopers en ook niet voor de dieren. Ik heb nog nooit zoveel dode dieren langs de kant van de weg zien liggen: uilen, roofvogels, andere vogels, een eekhoorntje, een hert, een waterrat, een kat, ontelbare egels, muizen, een mol, enz., enz. Om depressief van te worden. Maar er is geen tijd om daar lang over na te denken want we moeten continu op onze hoede zijn voor de auto's. Die razen vlak langs ons heen. We hebben maar een heel smal stukje om te lopen en moeten regelmatig de berm inspringen want niet elke automobilist gaat voor ons aan de kant. En soms wordt er op onverantwoorde wijze ingehaald waarbij de lopers over het hoofd worden gezien. En dan heb je ook nog de automobilisten die het er niet mee eens zijn dat er meerdere weggebruikers zijn dan alleen zij en geen centimeter voor je aan de kant gaan.
Deze dag wordt Sigrid van de weg gehaald door de politie omdat die het niet verantwoord vindt dat er lopers op de weg lopen op deze drukke dag. Sneu voor Sigrid maar een gelukje voor ons dat ze alleen haar hebben gezien. Want wat zou er zijn gebeurd als er iemand van de lopers die nog in de race zaten van de weg was gehaald? Ik zou het niet weten.

To DNF or not to DNF 
Nooit heb ik eraan gedacht om uit te stappen. Echt nooit. Niet bij de extreme hitte, niet bij (dreigende) blessures, niet toen ik maag- en darmklachten had, niet als ik niet vooruit te branden was en me afvroeg hoe ik in hemeltjesnaam ooit bij die finish moest komen. Nooit! Tot die ene dinsdag, de laatste dinsdag dat we liepen. Etappe 38. Die dinsdag schreef ik het volgende op mijn weblog:

Een shitdag. Gedacht aan stoppen maar niet gedaan. Shit. 
Een route die weer anders uitgezet is dan het roadbook en de GPS. Shit. 
De route die weer te lang is. Shit. Veel te vaak de bosjes in gemoeten. Waterdunne shit. 
Stukje met Wilma gelopen en haar beloofd om niet uit te stappen. Tot de dood ons schijt.
Stephane die zo geblesseerd is geraakt dat hij uit moest stappen. Shit. 
Al die anderen die geblesseerd zijn en toch doorgaan. Ik moet niet zeiken (alleen maar schijten) dus ik ga door. 
Een stukje van slechts 300 km schijt mij van Parijs.

Je bedenkt nog eens wat als je zo lang onderweg bent. Hoe het ging op die shitdag:
Bij de start was het al warm en na 10 minuten zweette ik als een otter. Dat deed ik wel vaker dus echt veel zorgen maakte ik me daar niet om. Na 10 km voor het eerst de bosjes in. Ook nog geen probleem want ik slikte Loperamide en diarree zou ik dus vast niet meer krijgen, het ging al 2 dagen goed dus vandaag zou het ook wel goed gaan. Toch? Na 13 km de eerste verzorgingspost waar ik mijn drinken bijvul maar geen eten pak, ik heb geen honger want ik heb pas ontbeten. Verder over een moppertrail. Gatverdamme, een rottig hobbelpad waar ik over heen loop te zwikken. Ik heb het echt helemaal gehad met die rottige trails. Na de trail komen we weer op een asfaltweg en daar zie ik dat ik moet opletten want de GPS geeft aan dat we gelijk weer naar rechts moeten. Helaas geven de pijltjes weer eens een andere richting aan. Die dan maar volgen en op de GPS zie ik dan ook al dat we om gaan lopen, zoals we al zo vaak hebben gedaan de laatste weken. Dat wordt dus weer extra opletten op de pijlen want als je nu verkeerd loopt vind je met het roadbook echt de goede weg niet terug tenzij je dezelfde weg terugloopt wat je vele extra kilometers zal opleveren. Ook deze keer lopen we dus flink om en als ik eindelijk bij de tweede verzorgingspost aankom heb ik al bijna 3 km extra gelopen. Hier krijg ik zo’n mentale tik van dat ik het helemaal niet meer zie zitten. Niet weer! Ik voel me al beroerd want mijn maag weigert het eten en drinken te verwerken en de wetenschap dat ik nog ruim een marathon moet lopen kan ik ineens niet meer aan, er knapt iets in mijn hoofd en ik begin bijna te huilen. Omdat ik dat niet wil in het bijzijn van die lieve mensen van de verzorging pak ik snel wat drinken, grijp een banaan en een droog biscuitje en probeer weer te gaan lopen. Maar dat gaat dus niet meer. Mijn maag protesteert heftig als ik er een klein hapje banaan in wil stoppen. Ik wandel een stuk en probeer dan weer te dribbelen maar dat lukt niet. Ik voel me ontzettend beroerd, mijn maag werkt niet, ik kan niet eten, heb continu dorst maar kan ook niets meer drinken en het lopen lukt nu ook niet meer. Na 10 minuten wandelen probeer ik weer te dribbelen maar moet het na 100 meter al weer opgeven. Probeer weer een hapje banaan te eten maar moet er van kokhalzen. De banaan gooi ik in de sloot en ik probeer een hapje van het biscuitje. Ook dat wordt afgewezen door mijn lichaam dus het biscuitje belandt ook in de sloot. Wandel-dribbel-wandel-dribbel-wandel-dribbel maar na 30 km geeft mijn lijf het op, ik sta stil. Sta echt stil en kom geen stap meer vooruit, handen op de knieën en barst in tranen uit. Dit was het dan, het einde van mijn Tour de France. Ik ben echt op. Zo dichtbij de finish en dan moeten stoppen. Dat kan toch niet waar zijn? Dat mag niet waar zijn! En dan is er dat ene hersencelletje, meer kunnen het er niet geweest zijn, die me een schop onder mijn kont geeft. Eén hersencelletje dat zegt: ‘Kom op Jannet, niet opgeven! Je ruikt bijna die Eiffeltoren, NIET opgeven! Niet mauwen maar sjouwen!’. En dus ga ik verder, dat zal ook wel moeten want ik moet toch naar de volgende verzorgingspost als ik uit wil stappen. Maar uitstappen doe ik niet, ik loop ook na die verzorgingspost door. En na de volgende ook. Daar zie ik wel Dave op een matje liggen, hij is uitgestapt in deze etappe. Maar voor hem is het anders want hij is toch al uit de race, zo probeer ik mezelf op te peppen. Het liefst zou ik hem van zijn matje trekken en er zelf op gaan liggen. Wilma wandelt een stukje met me mee en wacht geduldig als ik de bosjes in moet. Mijn darmen hebben nu besloten dat ze geleegd willen worden. Elke kilometer moet ik de bosjes in. Ik zal je details besparen maar de vraag van Wilma of ik moest plassen zegt wel genoeg. Nee, dat was geen plas. Ik stuur haar verder want ik wil het haar niet aandoen om bij zo’n jankerd te moeten blijven die ook nog elke kilometer uit de broek moet. Maar eerst moet ik haar beloven om niet uit te stappen. Wanneer ik dat heb gedaan verdwijnt ze in de verte met haar Peter op de fiets ernaast. Ik wandel-dribbel-bosjes-wandel-wandel-bosjes-wandel-dribbel-bosjes-dribbel-bosjes-wandel-bosjes-dribbel-wandel-bosjes-wandel-bosjes-dribbel-wandel-bosjes-dribbel-dribbel verder, 30 km lang tot ik aan de finish kom. Bijna 70 km op een klein ontbijtje en water en helemaal leeggelopen. Met dank aan dat ene hersencelletje die me niet toestond om uit te stappen. In de middag, avond en nacht doe ik mijn best om een broodje, een papje van Sigrid, 3 blaadjes sla bij het avondeten en 2 puddinkjes naar binnen te krijgen en dat lukt. De volgende dag stond ik vol goede moed aan de start van de laatste woensdag.

Wordt vervolgd…..


2 opmerkingen:

  1. Hi Jannet,

    Vol bewondering en verbijstering heb ik je TDF gevolgd. Aan een kant ongelooflijk knap en aan de andere kant gekkenwerk. Alleen degene die het doet kan er waarlijk over oordelen en dat ben jijzelf dus. Ik leer er wel van en ik lees je blogs graag terug maar ik ben blij dat ik niet hoef. De grenzen van iedereen zijn anders.

    Eet smakelijk verder en keep running.

    Groetjes,

    BeantwoordenVerwijderen